Her-identificatie actie banken
- Overzicht
her-identificatie actie van banken
- Niet het identificeren maar de opslag van persoonsgegevens
was inzet
- Discrepantie standpunt CBP en de Wet Bescherming
Persoonsgegevens
- Onverkwikkelijke rol College Bescherming Persoonsgegevens
in deze kwestie
- Verzet
- Pasfoto’s en Burger Service Nummer sleutels tot meer
persoonsgegevens
overzicht her-identificatie actie van banken
Juni 2005 begonnen de grote Nederlandse banken hun klanten
aan te schrijven met een oproep om zich zo spoedig mogelijk bij hun bankfiliaal
te vervoegen met een geldig identiteitsbewijs, om daar geďdentificeerd te
worden en een kopie van het identiteitsbewijs te laten maken.
ABN AMRO
nam bij deze grootscheepse actie het initiatief, spoedig gevolgd door
Postbank-ING en de Rabobank en Fortis. Kleinere banken, zoals de Triodos Bank,
SNS en ASN-bank doen niet mee en voldoen, als vanouds, gewoon als van ouds aan
hun wettelijke verplichtingen.
De actie kwam, volgens de banken, voort uit een initiatief
van het ministerie van Financiën en toezichthouder De Nederlandsche Bank (DNB)
die verscherpt wilden kunnen controleren of de banken konden aantonen dat zij
hun klanten op correcte wijze hadden geďdentificeerd. ABM-AMRO:"versneld
en met terugwerkende kracht toepassen WID".
Aan de verplichting, om aan te kunnen tonen dat banken
nieuwe klanten daadwerkelijk geďdentificeerd hadden was echter niets veranderd,
want die verplichting hadden ze vóór het van start gaan van de
identificatieactie uiteraard altijd al. Ook veranderde er niets in de
voorschriften over de wijze waarop banken mensen moesten identificeren of hoe
ze moesten kunnen bewijzen dat ze op correcte wijze de wet toepasten. Kortom de
wet veranderde niet, de voorschriften veranderden niet, de toezichthouder bleef
dezelfde taak houden, n.l. toezien of banken aan de wettelijke voorschriften
voldeden, en het bleef de verantwoordelijkheid van iedere individuele
bankinstelling zelf om te bepalen op welke wijze ze aan de wettelijke
verplichting voldeden.
Toch startte zomer 2005 een mega actie waarbij de grote
banken tientallen miljoenen klanten opriepen om met een geldig
identiteitsbewijs persoonlijk naar een bankfiliaal te komen om zich daar te
laten identificeren. Om een indruk van de omvang van de actie te krijgen, moet
men zich realiseren, dat alleen al de Postbank 7,5 miljoen mensen opriep, dat
iedereen die bij meerdere banken bankiert meerdere oproepen kreeg, en er
topscores genoteerd zijn van mensen die - omdat ze gevolmachtigd zijn voor
minderjarigen en zorgbehoevenden - tot 18x toe bij één en dezelfde bank
gesommeerd werden om hun identiteitsgegevens te verstrekken.
Het Algemeen Dagblad berekende aan de hand van onderzoek bij
de 5 grootste banken in maart 2007 dat de anderhalf ŕ 2 miljoen mensen die zich
niet hadden laten identificeren 5% van het totale aantal opgeroepen klanten
vormt. De totale actie omvat daardoor een slordige 40 miljoen oproepen.
Bron AD 24-3-
’07 Bankklant laat zich niet kennen
Er werd naar de klanten toe gesteld dat de wettelijke
grondslag voor de actie in de Wet Identificatie Dienstverlening (WID) lag, al schrijft deze wet
het heridentificeren van klanten helemaal niet voor.
Er werd naar de klanten toe gesuggereerd, en aan balies
letterlijk gezegd, dat de WID hetzelfde is als de Wet op de Uitgebreide
Identificatieplicht.
De Wet op de Uitgebreide Identificatieplicht (W.U.ID) staat in principe los
van de actie.
De ID-plicht volgens de WU-ID, die per 1-1- 2005 van kracht
werd, heeft uitsluitend betrekking op relatie van de overheid met de burgers en
heeft uiteraard niets te maken met de particuliere relatie tussen de bank en
zijn klant. De W.U.ID bepaalt dat uitsluitend opsporingsbevoegde
ambtenaren mensen om een geldig identiteitsbewijs mogen vragen, wanneer deze
dit voor de uitoefening van hun taak noodzakelijk achten, en geeft
particuliere instellingen daar geen enkele bevoegdheid toe.
Toch was de invoering van de W.U.ID wel degelijk de
aanleiding van de eis van de banken dat mensen hun identiteitsbewijs moesten
komen tonen.
Voor het eerst sinds 1945 maakte de invoering van de W.U.ID
het technisch mogelijk om van iedereen een geldig identiteitsbewijs te
verlangen. Na het afschaffen van het, in de oorlog verplichte persoonsbewijs,
hoefde men zo’n document immers niet meer te hebben. Paspoorten en ID-kaarten
vormden tot 2005 uitsluitend reisdocumenten die mensen enkel nodig hadden als
ze zich buiten het Nederlands grondgebied wilden begeven en rijbewijzen waren
rijvaardigheidsbewijzen. Door de invoering van de W.U.ID werd de functie
van voorgenoemde documenten - zonder dat daar een woord aan werd vuilgemaakt in
het parlement – uitgebreid tot persoonsbewijs voor binnenlands gebruik.
Iedereen vanaf 14 jaar werd, op straffe van het krijgen van bekeuringen of
opgesloten te worden in een politiecel, sindsdien verplicht om een geldig
identiteitsbewijs te moeten kunnen laten zien.
Het ministerie van Binnenlandse Zaken houdt – op vragen van
het Meldpunt Misbruik Identificatieplicht- krampachtig vol dat paspoorten en
ID- kaarten formeel nog steeds uitsluitend reisdocumenten zijn, maar het kan
iedereen overkomen dat hij door een opsporingsambtenaar gesommeerd wordt om
geldige papieren te laten zien- al was het maar als getuige van een ongeluk- en
wie geen geldig identiteitsbewijs heeft mag niet meer deelnemen aan het gewone
maatschappelijk verkeer, zoals het volgen van onderwijs, het afsluiten van een
arbeidscontract of een behandeling in een ziekenhuis ondergaan voor iets wat
niet direct levensbedreigend is.
De W.U.ID gaf banken dus geen bevoegdheid om naar geldige
identiteitspapieren te vragen, maar maakte dat technisch wel mogelijk. De
praktijk leert dat alles wat technisch mogelijk is doorgaans zonder veel
aandacht te besteden aan andere consequenties dan economisch profijt, toegepast
gaat worden. Meestal puur vanuit motieven, dat er geld mee te verdienen is en
soms ook, omdat overheden, bedrijven of instellingen serieus verwachten, dat
automatisering het menselijk falen terugdringt en zaken automatisch efficiënter
en veiliger georganiseerd worden.
Naast de technische mogelijkheid verschafte de W.U.ID (omdat
die recent was ingevoerd) een uitstekende gelegenheid om bij aan te haken,
zonder dat het veel klanten zou opvallen dat men zich in feite helemaal niet
hoefde te laten heridentificeren.
Het overgrote deel van de bevolking beschikt namelijk niet
over zulke gedetailleerde juridische kennis dat men beseft dat de Wet
Identificatie Dienstverlening (WID) niet hetzelfde is als de W.U.ID. En de
‘gewenningsfase’ van de W.U.ID, waarin het Nederlandse volk werd ingepeperd dat
er echt alle dagen mensen bekeurd en/of gearresteerd werden enkel omdat ze geen
geldig ID-bewijs toonden - zelfs in de duizenden gevallen waar het vragen naar
identificatie onrechtmatig was -vergrootte de kans dat mensen wel zouden geloven
dat het echt wegens wettelijk voorschrift verplicht was, zoals de banken
schreven.
Dit alles in schril contrast met de voorschriften
qua integriteit van de Nederlandsche Bank.
De bankinformatiefolder ‘Vragen en antwoorden over
legitimatie bij ABN-AMRO’ verweeft de wetten zo handig dat het heel logisch
lijkt dat men wordt verplicht om een geldig identiteitsbewijs te laten
controleren. We citeren:”U bent voor de Nederlandse wet- en regelgeving
verplicht om altijd een geldig legitimatiebewijs te kunnen tonen. Niet alleen
voor ABN AMRO maar ook voor andere instanties”.
Het lijkt erop dat de banken het misverstand dat de WID
hetzelfde zou zijn als de algemene ID-plichtwet moedwillig gebruikt hebben om
mensen te overreden gehoor te geven aan de oproep om naar de bank te komen.
Waarom anders werd in de oproepen de vage omschrijving ‘wegens wettelijk
voorschrift’ en ‘op grond van de WID’ aangevoerd als reden, dat de klanten
zouden moeten langskomen, terwijl het gros van de klanten op grond van de WID
helemaal niet opnieuw geďdentificeerd hoefde te worden?! Dit gebeurde van meet
af aan en werd stug volgehouden, ook toen allang toegegeven was dat dit
feitelijk onjuiste, misleidende informatie was.

De overheidsvoorlichting van Postbus 51 was expliciet
duidelijk over de WID: daar stond - tot
de tekst op 25 augustus 2006 stilletjes werd gewijzigd - te lezen:
’Wanneer vraag ik mijn cliënt zich te identificeren?’.
‘U hoeft een klant niet te identificeren als de cliënt u
bekend is, bijvoorbeeld als rekeninghouder van uw instelling, en bij een
eerdere gelegenheid is zijn identiteit vastgesteld (alle klanten die een
rekening hebben geopend vóór 1989 gelden als geďdentificeerd)’.
Postbus
51 punt 5 info tot 25-8-06
Info over verwijdering
essentiële informatie uit Postbusvoorlichting
Toen kritische mensen bij hun bank protest aantekenden tegen
de oproep en uitleg vroegen over het gegeven, dat de WID geen her-identificatie
verlangde, al deed de bank voorkomen, dat dat wel zo was, werd de Wet Melding
Ongebruikelijke Transacties (MOT)
erbij gesleept, als argument dat er een wettelijke verplichting zou zijn. Ook
dat was foute en misleidende informatie omdat die wet zeker niet tot
her-identificatie van alle klanten verplicht maar zoals de naam al aangeeft,
enkel met ongebruikelijke transacties te maken heeft. De MOT erbij halen sloeg
dus werkelijk nergens op, behalve dat het meehielp om de verwarring in stand te
houden (verwarring welke wet tot identificatie zou verplichten en welke wet
met fraudebestrijding verband houdt).
Het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) stuurde al
in oktober 2005 een brief aan de Vereniging van Nederlandse Banken (VNG),
dat banken hun klanten een foute voorstelling van zaken voorspiegelden, door te
stellen dat mensen langs zouden moeten komen omdat vastlegging van een kopie
van het ID-bewijs een vereiste zou zijn vanuit de WID of de MOT. Het CBP
verzocht de VNG dringend om de bij hen aangesloten banken te verzoeken hun
klanten hiervan op de hoogte te stellen.
Toch kwam er geen rectificatie naar de klanten en
veranderden de teksten in de aanschrijvingen enkel in die zin dat naast de WID
nu ook de MOT werd vermeld. De stroom oproepen en aanmaningen van de banken om
mensen te overreden zich op grond van de WID te komen laten identificeren ging
dus onveranderd door.
Ook toen toezichthouder De Nederlandsche Bank (DNB) op 15 juni
2006 in de circulaire ‘WID-herstelacties’ schreef dat banken, conform het
uitgangspunt van het ministerie van Financiën, terughoudend dienden om te
springen met het terugroepen van bestaande cliënten om deze te identificeren ‘om
het publiek geen onnodige overlast en kosten te bezorgen’ veranderde er
niets. De banken gingen onverdroten voort om al hun klanten op te roepen, aan
te manen en onder druk te zetten met bedreigingen dat
rekeningen geblokkeerd zouden worden.
Ook mensen die in het buitenland vertoefden of bedlegerig
waren kregen de dreigbrieven, al had ook DNB in de circulaire letterlijk
aangegeven dat reeds bekende klanten niet opnieuw hoefde langs te komen, mensen
die persé niet wilden hooguit iets beter in de gaten moesten worden gehouden,
mensen zich onder bepaalde condities ook op andere- dan de door de bank beoogde
wijze van vastlegging van hun identiteitsbewijs - aan de wet konden voldoen en
de relatie met bijvoorbeeld bedlegerige klanten gewoon kon worden
gecontinueerd.
De banken trokken zich er niks van aan. Zo gebeurde het dat
een ouder echtpaar, wat zich braaf kwam laten identificeren bij de bank waar ze
al tientallen jaren klant zijn, door het baliepersoneel werd gedreigd met het
blokkeren van hun rekening omdat mevrouw enkel een verlopen paspoort kon tonen.
Zieken en
gehandicapten die niet van huis kunnen werden bedreigd met opheffen van hun
rekening. Ook registreerden we gevallen waarbij mensen die een klein geldbedrag
op eigenrekening kwamen storten lastig gevallen werden dat ze zich eerst
moesten laten identificeren middels het vastleggen van een geldig
identiteitsbewijs. Er kwamen meldingen van mensen die niet
geholpen werden bij het opheffen van een rekening als ze niet eerst hun
ID-bewijs lieten inscannen, maar ook meldingen dat
bij het opheffen van een rekening niet eens gecontroleerd werd of de persoon
over de rekening mocht beschikken. Zelfs dode
mensen kregen een oproep zich te komen laten identificeren.
Oneerlijke voorlichting en schoffering van weigerachtige
klanten, zorgde voor veel commotie aan de balies van de bankfilialen, in
telefoongesprekken met banken en in de briefwisselingen. Dit maakte het Meldpunt
Misbruik Identificatieplicht op uit de stroom klachten en meldingen die men ontving.
Klachten van mensen die al 36
jaar klant zijn, klachten
van mensen die niet gediend zijn van valse voorlichting en dreigementen, of van
suggestieve
en vage informatie.

In Noord Holland beproefde de bank een andere tactiek. Daar
trachtte men mensen te paaien om langs te komen door ze met een bioscoopbon te
belonen. De Rabo probeerde het door mensen te belonen
met een goedkope foto of diner bon.
(Mensen betalen voor de afgifte van hun persoonsgegevens,
raakte in
Toch gaven de banken achteraf toe, dat de hele operatie veel
omvangrijker was, dan ze van tevoren hadden ingeschat. In de loop van 2006
begonnen steeds meer klanten te beseffen dat ze werden misleid en bedrogen. Het
regende klachten en veel mensen bleven zich verzetten tegen de onterechte
oproepen.
Dat de banken niet hadden verwacht dat veel van hun klanten
niet zondermeer bereid waren om hun persoonsgegevens aan de bank te verstrekken
bleek wel uit de chaotische reacties als mensen hun beklag wilden doen. Er
werden speciale telefoonnummers ingesteld om over dit onderwerp te bellen, maar
daar werd of niet opgenomen, of er werd foute informatie gegeven en menigeen
kreeg te horen dat medewerkers niet in wilden gaan op al te lastige vragen
alvorens ze de hoorn op de haak kwakten. Nagenoeg alle personeelsleden van de
banken, die uiteindelijk de identificatie en vastlegging van de ID-bewijzen
moesten uitvoeren, bleken onvoldoende geďnformeerd over doel, grondslag en
uitvoering van de maatregel. Dat had tot gevolg dat er aan de balie tot grote
ergernis van de klanten ronduit foute en of tegenstrijdige informatie werd
gegeven. Maar veelal weigerden de uitvoerenden om met mensen over het bevel in
discussie te gaan of liepen de ergernissen en ruzies zo hoog op dat klanten
helemaal niet meer geholpen werden of zelfs uitgescholden werden. De Postbank
bleek, wat onheuse bejegening van de klanten betreft, met kop en schouders
boven alle banken uit te steken (en streek per ingescande klant een
bonus van TGP op).
Klanten, die zich niet lieten afschepen, kregen te horen dat men het dan
maar moest aankaarten bij de klantenservice, de filiaalchef, de klachtenmanager,
de juffrouw van de afdeling communicatie, mensen van de juridische afdeling van
de bank, bij de regiochef, of de chef communicatie of hoe al die
functionarissen ook mogen heten; of bij het CBP, de minister, de ombudsman, de
consumentenbond of de rechter. Men werd van het
kasje naar de muur gestuurd.
Wie de moeite deed om schriftelijk in debat te gaan, kreeg
vervolgens geen antwoord of werd met nietszeggende brieven “we houden ons aan
de wet” afgepoeierd of doorverwezen naar weer andere instanties, tot de
aanhouder uiteindelijk brieven ontving met mededelingen als:”Verdere
correspondentie over dit onderwerp wordt door ons niet meer in behandeling
genomen”.
Toen het onrechtmatig identificeren van miljoenen klanten
door de banken begin augustus 2006 breed werd uitgemeten in de pers, liet
eindelijk het ministerie van Financiën iets van zich horen. Daar werd
toegegeven dat de wettelijke grondslag voor het vastleggen van kopieën van
identiteitsbewijzen inderdaad niet op de WID of MOT gebaseerd is, maar dat dit
aan de Algemene Wet Rijksbelastingen (AWR) ontleend diende te worden.
Die AWR vermelding komt men nadien soms ook tegen in
correspondentie van banken met kritische klanten, maar in de officiële
bankfolders van de Postbank
en ABN
blijft men hardnekkig geen AWR maar de WID vermelden.
De brief van de Postbank 14-10-2006 aan mevr. D. is een
veelzeggend voorbeeld van een mengeling van foute informatie verstrekken en
toegeven dat de bank onvolledige informatie verstrekte en tegelijkertijd de
zaak zo voorstellen dat het allemaal wel klopt. De Postbank schrijft:’Iedere bank is verplicht de identiteit van
haar klanten vast te stellen en vast te leggen. Dit is onder andere bepaald in
de Wet Identificatie Dienstverlening. Wij
hebben ervoor gekozen niet meer wetgevingen te vermelden omdat we het onderwerp
daarmee voor onze klanten wellicht onnodig compliceren”.
Hoe gretig banken voort bleven gaan met hun actie om van
alle klanten niet alleen de identiteit vast te stellen maar ook de
persoonsgegevens vast te leggen, blijkt uit een actie als die van de Postbank.
De Postbank organiseerde met 25 teams, een
speciale actie om bij ongeveer tweeduizend verzorginghuizen langs te gaan
om de bewoners ter plekke te gaan identificeren.
Ook veelzeggend zijn voorbeelden als die van verenigingen waar
het hele bestuur verplicht werd zich te komen laten identificeren, terwijl
alleen de voorzitter en de penningmeester gemachtigd waren om met de bank zaken
te doen.
·
Het
is een raar gegeven dat banken een grootscheeps, miljoenen euro’s kostende,
campagne op zouden zetten met de bedoeling om klanten die zij kennen, waarmee
ze vaak al decennia zaken doen, te verplichten om zich bij een bankfiliaal of
postkantoor te vervoegen, teneinde geďdentificeerd te worden.
·
Dat
banken dit doen op grond van een wet die dat niet verplicht is nauwelijks te
geloven.
·
Dat
banken beweren en volhouden dat dit zou moeten op voorschrift van het
ministerie van Financiën en de toezichthouder DNB is moeilijk te begrijpen
aangezien die instanties zelf berichtten dat dat niet zo is.
·
Nog
onbegrijpelijker wordt het daar de klanten wordt voorgehouden dat de hele
operatie een noodzakelijke maatregel zou betreffen die ten doel heeft om fraude
met rekeningen en witwas praktijken tegen te gaan. Dit is zeer ongeloofwaardig
aangezien deskundigen op gebied van criminaliteit - van professoren die zich
met wetenschappelijke inzichten inzake witwaspraktijken bezighouden t/m
fraudeonderzoeksbureaus, de officier van justitie en voormalig medewerker bij
bureau MOT en de betrokken banken zelf, openlijk betwijfelen of de
maatregel enig effect heeft op het gebied van fraudebestrijding en tot de
conclusie komen dat het doorgeslagen regeldrift betreft die geen enkel doel dan
het regelen zelf dient. Zoals we konden vernemen in het Argos radioprogramma op 29- 9- 2006 VPRO Ned.1.
·
Toppunt
van verwarring levert het op dat de banken,
middels de VNG zelf ook openlijk bestrijden dat de identificatieactie enig nut
zou hebben en minstens de proportionaliteit bestrijden (uitspraken Dhr.
Bloks woordvoerder VNG en bankier Berg Bruggink van de Rabo in dezelfde Argos
uitzending)
·
Helemaal
idioot is het dat banken, die in 2005
over het algemeen nog het imago hadden solide betrouwbare instellingen te zijn,
de relatie met hun klanten zo op de spits dreven dat duizenden klanten het
vertrouwen in hun bank verloren, en woedend werden omdat ze door hun bank
bedrogen en bedreigd werden.
§ Waarom zouden banken, die er op uit
zijn om zo min mogelijk mensen meer aan de balie te krijgen, alle klanten gaan
verplichten om langs te komen?
§ Waarom gaan banken klanten en
personeel waar ze al 30 jaar of meer een relatie mee hebben tegen zich in het
harnas jagen door ze te verplichten zich te komen laten identificeren.
§ Waarom schrijven banken dat de actie
wettelijk verplicht is als er geen wettelijke grondslag voor bestaat?
§ Waarom gaan banken verkeerde wetten
als grondslag opgeven.
§ Waarom zouden banken miljoenen
euro’s uitgeven aan de aanschaf van nieuwe apparatuur en extra inzet van
personeel om mensen waarvan ze al weten wie het zijn te identificeren?
§ Waarom durven banken het vertrouwen
van klanten te beschamen door misleidende voorlichting te geven terwijl ze van
de particuliere instellingen nou uitgerekend de categorie vormen waar het
belang van de vertrouwensrelatie tussen bedrijf en klant expliciet wordt
onderkend en gewaarborgd?
§ Hoe is het mogelijk dat banken aan
hun klanten onrechtmatige eisen stellen en aan het niet voldoen van die eisen
dreigementen verbinden, dat men bankrekeningen zal gaan blokkeren, wat feitelijk neerkomt op contractbreuk en
daarom ongeoorloofd en strafbaar is?
§ Waarom riskeren banken dat ze worden
aangeklaagd wegens onrechtmatig/onwettig handelen?
We constateren dat er duidelijk sprake is van een samenspel
van tussen de betrokken hoofdrolspelers, te weten het ministerie van Financiën,
DNB en de grote banken. De betrokkenen spelen voortdurend de bal rond door van
de ander te beweren dat die de identificatieactie initieerde of ertoe
verplichtte.

Er is geen enkele wettelijke grondslag voor het opnieuw identificeren voor
klanten tenzij de banken in het verleden in gebreke zouden zijn gebleven om de
identiteit van hun klanten te controleren of zo slordig met de persoonsgegevens
zouden zijn omgegaan dat ze delen van hun administratie zijn kwijtgeraakt. Toch
is er geen sprake van herstel-identificatie
van klanten die nooit eerder werden geďdentificeerd, maar van een complete her-identificatie van alle
klanten die gewoon bekend zijn bij de bank, in het verleden naar behoren werden
geďdentificeerd en waarvan de relevante gegevens als bewijs hiervan in de
bankadministratie liggen opgeslagen.
Toch beweren de grote banken dat ze door het ministerie van Financiën en DNB
gedwongen werden om hun klanten opnieuw te identificeren. Sterker nog: de
woordvoerder van de NVB liet weten dat de banken het opheffen van de
her-identificatie verplichting waren gaan bepleiten in Den Haag maar daar
bakzeil hadden gehaald bij een onverbiddelijke minister (bron: Argos).
Op 3
en 10
februari 2007 schreef het Meldpunt Misbruik
ID-plicht aan de minister van Financiën een brief over de vermenging van de
publiekrechtelijke taak van de overheid met de financiële belangen van
particuliere bankinstellingen. In de reactie van het ministerie van 29
maart 2007 draait men om de hete brij heen met de suggestie dat mensen die
een oproep kregen niet goed geďdentificeerd zouden zijn volgens DNB en als ze
geen medewerking verlenen een risico voor de bank zouden vormen. Verder wil het
ministerie geen brieven meer beantwoorden, zo liet men ons op 6
april 2007 weten.
Maar de minister van Financiën kan natuurlijk geen opdracht geven voor iets waar
geen wettelijke grondslag voor is en DNB kan enkel van banken verlangen dat ze
zich aan de wet houden, wat in dit geval betekent dat banken moeten kunnen
aantonen dat ze hun klanten hebben geďdentificeerd.
Een bank die zich
gewoon aan de wet houdt, door volgens de WID nieuwe klanten te identificeren
middels controle van identiteitsbewijs en door vastlegging van de relevante
persoonsgegevens en het nummer van het identiteitsbewijs op een formulier, kan
aantonen aan de wet voldaan te hebben. Voor klanten die onder de AWR vallen
dient de toezichthouder inzage te kunnen hebben op een bestand waar een kopie
van het identiteitsbewijs is vastgelegd. Een zwart-wit papieren kopie voldoet
ruimschoots om aan te tonen dat aan de identificatieverplichting is voldaan.

DNB voorzitter Nout Wellink houdt dan ook vol dat het de verantwoordelijkheid
van de individuele banken is hoe ze invulling aan de wettelijke verplichtingen
geven. Met andere woorden DNB stelt geen andere eisen dan dat aan wettelijke
voorschriften moet worden voldaan, wat overeenkomt met de circulaire
van DNB. Ook als het Meldpunt Misbruik ID-plicht op
14-12-07 expliciet hiernaar vraagt wordt dit 15-2- 2007
schriftelijk bevestigd.
9 januari
2007 schrijft toezichthouder
Autoriteit Financiële Markten (AMF) dat zij zich er officieel niet
mee bemoeien,’ omdat DNB de taak heeft om toe te zien op het juist invullen van
de wettelijke verplichting door banken’, maar gaat er blijkens hun schrijven
ook van uit dat her-identificatie enkel nodig zou zijn als banken in sommige
gevallen nagelaten zouden hebben om klanten te identificeren.
Het ministerie van Financiën ontkende, bij monde van een
woordvoerder d.d. 29-9-2006 op de radio dat Financiën ook maar iets van doen
zou hebben met de her-identificatie actie. “Als banken aanvullende kosten
hadden gemaakt om aan de wettelijke identificatievoorschriften te voldoen, dan
was dat hun pakkie an en waren ze in het verleden kennelijk in gebreke
gebleven, want de huidige voorschriften inzake identificatieverplichting
volgens de wet bestonden al jaren”.
DNB heeft geen banken berispt omdat ze nalatig waren geweest om klanten te
identificeren en bepleit, officieel, zelfs terughoudendheid bij het toepassen
van de wet. Toch treedt men niet op tegen banken, die meer persoonsgegevens
vastleggen, dan noodzakelijk of terzake doend zijn, om aan de wettelijke
verplichting te voldoen, maar fiatteert die handelswijze, zo blijkt uit de
briefwisseling 17-1-‘07
en 15-2-
’07.
Bits of Freedom nomineerde in september 2007 De Nederlandsche
Bank voor de Big Brother Award 2007
om een signaal afgeven dat als één van de belangrijkste onafhankelijke
toezichthouders van ons land onze privacywetgeving niet meer serieus neemt,
zijn kop in het zand steekt en de Nederlandse burger in de steek laat, dat een
schande is en buitengewoon slecht voor de stand van de privacy in Nederland’.
In de briefwisseling waarin het Meldpunt Misbruik ID-plicht het
Ministerie van dubieuze praktijken beschuldigt, verweeft het ministerie de
stelling dat cliënten die niet willen meewerken ' zodat de bank kan voldoen aan
wettelijke normen een risico vormen'. Dat het CBP en DSB het inscannen van
persoonsgegevens niet afkeurden gebruikt men om te suggereren dat de banken verplicht
zouden zijn om dat te doen. Ook DNB verschuilt zich achter het standpunt dat
het vastleggen van meer persoonsgegevens dan noodzakelijk is, weliswaar
verboden is volgens de bepalingen in de Wet Bescherming Persoonsgegevens, maar volgens
het CBP in geval van de bankenwel geoorloofd zou zijn.
Omdat er geen
wettelijke verplichting voor de operatie is kan men niet anders dan tot de
conclusie komen dat er andere belangen dan het handhaven van de wet op het spel
staan. En vanwege het samenspel van ministerie, DNB en de banken valt te
verwachten dat er zowel voor de overheid als voor de banken gewin uit te
behalen valt.
Het feit dat men van alle bankklanten aan de hand van
geldige identiteitsbewijzen opnieuw wilde vaststellen of men met de juiste
persoon te maken had en of die persoon overeenkomt met de klantgegevens uit de
bankadministratie, levert de bank op zich geen winst op. Het profijt valt wčl
te verklaren door de wijze waarop de identificatie plaats vond.
Niet het identificeren van klanten op zich, maar de opslag van hun
persoonsgegevens was de inzet.
De clou van de hele actie is dat de grote banken en
financiële instellingen in Nederland een particulier elektronisch
persoonsregister van hun klanten wilden aanleggen. Een persoonsregister waarin
niet alleen van alle klanten op toegankelijke wijze de voor de dienstverlening
noodzakelijke gegevens worden opgeslagen maar een systeem waarbinnen van alle klanten
zoveel mogelijk gegevens worden geregistreerd. Dus ook sofi-nummers van mensen
die geen belastingplichtige diensten afnemen en pasfoto’s van iedereen terwijl
die helemaal voor niemand terzake dienend zijn.
De banken die zich aan de her-identificatie-actie
bezondigen, willen een persoonsregister opzetten, dat ze de beschikking geeft
over een nagenoeg perfecte digitale kopie van ingescande identiteitsbewijzen
van al hun klanten.
Hoezeer de banken beseften hiermee buiten hun (wet) boekje te gaan blijkt wel
uit het feit dat ABN AMRO de eerste maanden weigerde antwoord te geven op
vragen van klanten of er eigenlijk wel kopieën van de identiteitsbewijzen
werden gemaakt, zoals de bank beweerde, of dat ze door computers werden
ingescand. De SNS bank wilde in september 2006 nog steeds geen antwoord op die
vraag geven.
Dat het daadwerkelijk om het inscannen van de
identiteitsbewijzen ging bleek duidelijk uit alle gevallen waarbij klanten
keurig kwamen voldoen aan het verzoek om zich te komen laten identificeren maar
waarvan de bank beweerde dat ze dit weigerden omdat ze hun
identiteitsbewijs niet uit handen wensten te geven.
Ook als mensen wel bereid waren om een zelf gemaakte papieren
kopie van het identiteitsbewijs in te leveren- waarvan ter plekke gecontroleerd
kon worden of de kopie overeen kwam met het originele document, werd dat als
weigering van identificatie aangemerkt.
De gekste gesprekken en ruzies hebben over het fenomeen
inscannen en digitaal opslaan plaatsgehad. Bankpersoneel beweerde bijvoorbeeld
regelmatig dat het inscannen nodig was om vast te kunnen stellen of een
identiteitsdocument niet vals was (wat checken en geen scannen is, maar ook
weer zo’n fijne spraakverwarring die maakt dat mensen in de luren kunnen worden
gelegd omdat ze niet van de hoed en de rand weten), personeel ontkende dat er
werd ingescand terwijl men het intussen stond te doen; Postbankmedewerkers beweerden
bij hoog en bij laag dat de minister voor de Postbank ontheffing had verleend om
te mogen inscannen; er werd beweerd dat er recentelijk een wet gewijzigd was
-of eentje ingevoerd -die het maken van scan veroorloofde…enz.
Mensen die bezorgd zijn over hun privacy en zich beroepen op
hun grondrecht dat hun persoonlijk leven beschermd dient te worden, hadden
grote bezwaren tegen zowel de opslag van meer gegevens dan bij wet verplicht
wordt als op het inscannen en digitaal opslaan van hun gegevens.
Inhoudelijk spitste de onenigheid over het al dan niet mogen
inscannen en digitaal opslaan van identiteitsbewijzen zich op een paar punten
toe.
Ten eerste op het feit dat de WID, geen vastlegging van een
kopie van een identiteitsbewijs in de administratie verlangt. Daarvan is dus
duidelijk dat je mensen niet mag oproepen dat ze zich op grond van die wet
moeten komen laten identificeren en ze vervolgens gaan verplichten om een scan
van hun ID-bewijs te laten maken. Bovendien verplicht de WID dan wel dat
bijvoorbeeld nieuwe klanten geďdentificeerd moeten worden, en dat de
toezichthouder moet kunnen toetsen of dat daadwerkelijk is gebeurd, maar wie
enkel een betaalrekening opent is niet verplicht om zijn sofi-nummer bekend te
maken - laat staan dat te laten noteren. Het vastleggen van iemands pasfoto is
eveneens niet gepast aangezien die enkel bedoeld is om bij de lijfelijke
identificatie vast te kunnen stellen of iemand overeenkomt met het getoonde
document. In de administratie hoeft men enkel het nummer van het
identificatiebewijs te noteren. Samenvattend: voor de WID hoeven enkel de
volgende- voor de dienst terzake doende, gegevens te worden genoteerd, zijnde
geslachtsnaam, voornamen, geboortedatum, adres en woonplaats (dan wel plaats
van vestiging), de aard, het nummer en de datum en plaats van uitgifte van het
identiteitsdocument.
Het volstaat voor de WID
als van mensen door een bankmedewerker wordt vastgesteld dat de persoon
overeenkomt met het getoonde ID-bewijs en deze gegevens- met uitzondering van het
sofinummer- middels een ingevuld en van handtekening voorzien
formulier in de administratie wordt vastgelegd. Voor
de wet volstaat dat, maar het kostte mensen maanden om van hun bank gedaan te
krijgen, dat zij toestonden om op deze manier aan de WID
voorschriften te voldoen.
Omdat de bank, hoewel de wet geen vastlegging van een
afschrift in de administratie eist, dit toch wil vastleggen om te kunnen
bewijzen dat men aan WID heeft voldaan, kan dat middels het invullen van een
formulier gebeuren.
Op dat formulier worden de relevante persoonsgegevens
genoteerd inclusief het nummer van het identiteitsbewijs. Deze ‘oude’ manier
van identificeren is niet alleen mogelijk bij banken die altijd al op deze
wijze aan hun wettelijke verplichting voldeden, maar ook bij ABN-AMRO en
Rabobank accepteren deze vorm van identificatie.
De tweede onenigheid betrof namelijk de wijze waarop de AWR
zou voorschrijven dat er een afschrift van het ID-bewijs in de administratie
wordt opgenomen.
Het komt er kort gezegd op neer dat iedereen die bij de bank
belastingplichtige diensten afneemt moet worden geďdentificeerd op grond van de
AWR en dat die wet voorschrijft dat er een ‘kopie’ van het identiteitsbewijs
moet worden vastgelegd in de administratie.
De onenigheid van veel klanten en de banken bestaat hieruit
dat volgens mensen die niet willen dat een nagenoeg perfecte scan van hun
identiteitsbewijs digitaal wordt opgeslagen in de bankadministratie vinden dat
het moet volstaan volgens de wet als er
een papieren zwart wit kopie wordt ingeleverd.
De bezwaren tegen de scan-methode bestaan eruit, dat het
inscannen en digitaal opslaan van identiteitsbewijzen technisch zo ontwikkeld
zijn, dat die leiden tot een reproductie van de oorspronkelijke documenten, wat
in de paspoortwet (art. 61) verboden werd. Nu in de identiteitsbewijzen
biometrische kenmerken worden opgeslagen en de gegevens op afstand uitleesbaar
zijn, worden de gevaren, dat er (digitaal) gefraudeerd gaat worden, vele malen
groter dan iemand bij invoering van die paspoortwet kon vermoeden.
Het inscannen van pasfoto’s vormt bovendien een gevaar omdat
het technisch mogelijk is dat ingescande pasfoto’s gekoppeld kunnen worden aan
gezichtherkennende camerasystemen. Camera’s kunnen dan met softwareprogramma’s
zo geprogrammeerd worden dat ze een signaal geven als ze bepaalde mensen te
herkennen, of mensen met bepaalde uiterlijke kenmerken. De mogelijkheden
voor toepassing qua bewaking en commercie zijn legio, met het onvermijdelijke
gevolg, dat betrokkenen op geen enkele wijze meer kunnen nagaan, wie er over
hun gegevens beschikt en wat ermee gebeurt.

Het tweede belangrijke bezwaar ging over het digitaal
opslaan van het sociaal-fiscale nummer (sofinummer). Het administratienummer waaronder een belastingplichtige
geregistreerd stond bij de Belastingdienst en tevens diende als
registratienummer voor de verzekerde en de uitkeringsgerechtigde bij de
uitvoering van de wetten inzake de sociale zekerheid. Een nummer wat nooit en
te nimmer gebruikt zou worden voor andere doeleinden, zoals staatssecretaris
Lou de Graaf (CDA) het parlement bij invoering in 1988 bezwoer.
Dit sofinummer zou, zo was in de
zomer van 2005 de verwachting, op korte termijn worden vervangen door een uniek persoonsnummer het
Burger Service Nummer (BSN) genaamd. Via dat unieke BSN persoonsnummer konden
dan niet alleen ieders adres en geboortegegevens uit het bevolkingsregister
ontsloten worden en gekoppeld worden aan de financiële gegevens van de
belastingdienst en de sociale dienstverlening, maar voortaan ook gekoppeld
worden aan bestanden van het onderwijs, maatschappelijk werk, medische diensten
en politie- en justitieregisters. Bovendien werd via dit nummer een
automatische koppeling mogelijk met de gechipte biometrische
identiteitsbewijzen die in 2006 zouden worden ingevoerd.
Het BSN zou uitsluitend worden gebruikt voor verkeer tussen
de overheid en de burger. Alleen overheidsorganen zouden volgens het
wetsvoorstel toegang tot de achterliggende gegevens mogen krijgen. Toch gaf minister
Zalm op 17 november 2005 al in de Kamer aan dat wat hem betreft alle financiële
dienstverleners toegang moesten krijgen tot de achterliggende gegevens van het
BSN.
Aangezien de cijfercombinatie van het BSN hetzelfde zou
blijven als van het oude sofi-nummer konden banken door identiteitsbewijzen in
te scannen en digitaal op te slaan zich bij voorbaat verzekeren van het gebruik
van een nummer waar niet alleen de naam- adres- woonplaatsgegevens en het
belastingnummer van mensen toegang toe geven, maar ook aan bijvoorbeeld de
medische gegevens.
Ondanks grote bezwaren in de Eerste
Kamer werd het BSN uiteindelijk eind 2007 ingevoerd. Daarmee werd
een wet aangenomen die de privacy van mensen ernstig in gevaar brengt omdat hij
geen enkele garantie biedt dat, in dit geval, banken en
verzekeringsmaatschappijen, in hun bedrijfsvoering gebruik kunnen maken van
gegevens van mensen waar ze geen toegang tot zouden mogen hebben. Zoals voor
commercieel gebruik, bewakingsdoeleinden of als verlengstuk voor opsporingsdoeleinden
van politie en justitie.
Alle mooie praatjes, dat de gekoppelde gegevens beveiligd
zijn, en dat banken bijvoorbeeld echt geen medische dossiers kunnen
bekijken, als iemand een verzekering wil afsluiten, zijn ongeloofwaardig en in
tegenspraak met waar experts op gebied van beveiliging van databestanden voor
waarschuwen.
Praktijk voorbeelden van frauderende bankmedewerkers, racistisch optreden van
banken in de VS en de beveiliging van medische
gegevens die zo lek is als een mandje, spreken boekdelen.
Het moge duidelijk zijn dat van banken die het vertrouwen
van hun klanten ernstig geschonden hebben door ze voor te liegen en te bedreigen
niet te verwachten valt dat ze de persoonsgegevens die ze zich op onwettige
wijze hebben verschaft zorgvuldig zullen gaan beheren.
De discrepantie tussen wetgeving en standpunt van het CBP
Relevante artikelen WBP en paspoortwet Lees…
·
De
WID verlangt GEEN vastlegging van een identificatiebewijs in de administratie. Artikel
6, 8c en 34-5 van de WBP zijn dus niet van toepassing.
·
De
WID verlangt dat de identiteit wordt gecontroleerd alvorens iemand klant van de
bank mag worden en in gevallen dat sprake is van bijzondere grote transacties.
·
Er
is geen wet die bepaalt dat klanten die reeds bekend zijn bij de bank opnieuw
zouden moeten worden geďdentificeerd. Her-identificatie van klanten, die al
bekend zijn, is daarom niet in overeenstemming met de Wet BP vlg. art 6.
·
Daar
waar banken mensen aanschrijven dat her identificatie noodzakelijk is kunnen
mensen zelfs gerede twijfel krijgen of de banken wel, conform art 6, zorgvuldig
zijn omgegaan met hun gegevens.
·
Uit
de circulaire van de Nederlandsche Bank van 15-6-2006 blijkt onomstotelijk
dat de WID-herstel-actie helemaal niet bedoeld is om de identiteit van klanten
vast te stellen, al doet de naam dat vermoeden en verstrekken de banken hun
klanten hierover moedwillig valse informatie. De circulaire stelt duidelijk dat
het niet om identificatie gaat maar dat het doel is om de bestanden
toegankelijk te maken. Mensen voorliegen over de reden waarom hun
persoonsgegevens worden verzameld en opgeslagen, is in tegenspraak met art 6,
11, 12-1 WBP en ons inziens ook volgens het Wetboek van Strafrecht als
oplichting dan wel misleiding strafbaar.
·
Identificatie
betekent vaststellen of men met de juiste persoon van doen heeft.
·
Dit
gebeurt door vast te stellen of degene die geďdentificeerd wordt overeenkomt
met het identiteitsbewijs en of het identiteitsbewijs geldig is. Om aan de WID
te voldoen is dit voldoende. Vastleggen van meer persoonsgegevens dan voor het
doel noodzakelijk zijn is in tegenspraak met WBP art.11.
·
Omdat
de bank, hoewel de wet geen vastlegging van een afschrift in de administratie
eist, dit toch wil vastleggen om te kunnen bewijzen dat men aan WID heeft
voldaan, kan dat middels het invullen van een formulier gebeuren. Op dat
formulier worden de relevante persoonsgegevens genoteerd inclusief het nummer
van het identiteitsbewijs. Deze ‘oude’ manier van identificeren is niet alleen
mogelijk bij banken die altijd al op deze wijze aan hun wettelijke verplichting
voldeden, maar ook bij ABN-AMRO en Rabobank accepteren deze vorm van
identificatie. Deze wijze van vastlegging maakt niet alleen dat de bank kan
aantonen dat men aan de identificatieplicht heeft voldaan, het toont tevens aan
dat meer persoonsgegevens vastleggen niet noodzakelijk, laat staan
onoverkoombaar is.
·
Pasfoto’s
zijn enkel bedoeld voor het identiteitsbewijs zelf, men identificeert de klant
door te constateren of de foto overeenkomt met de persoon. Het vastleggen van
pasfoto’s is niet terzake doende en daarom niet legaal. Volgens WBP art. 6, 7
en 8
·
Het
vastleggen van het sofi-nummer is in het kader van de WID niet relevant en
tevens in strijd met art. 6, 7 en 8. Het sofi-nummer moeten banken wel
registreren, indien men klanten fiscaal gerelateerde diensten verleent,
maar dat valt buiten het bestek van de WID.
·
In
de gevallen dat banken op grond van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen het
sofi-nummer van hun klanten vastleggen, dienen ze zich te houden aan correcte,
ondubbelzinnige informatievertrekking hieromtrent, eveneens conform art 6,
7 en 8.
·
Sofi-nummers
vastleggen op grond van de WID is niet rechtmatig maar bovenmatig en niet
terzake dienend, daarom in tegenspraak met de WBP artikelen 6, 7, 8, 11 en 33
·
Pasfoto’s
vallen volgens de Wet BP onder paragraaf 2.zijnde ‘bijzondere
persoonsgegevens’. Uit pasfoto’s zijn uiteraard raskenmerken af te leiden.
Volgens art. 18-a is het constateren dat iemand tot een bepaald ras behoort bij
identificatie onvermijdelijk, maar ‘de verwerking van persoonsgegevens
betreffende o.a. iemands ras’ zijn volgens art.16 expliciet verboden.
·
Waarbij
we aantekenen dat, waar de wet op 6 juli 2000 het vastleggen van raskenmerken
al verbood, de technologische ontwikkelingen sindsdien de bescherming van de
privacy in deze vele malen belangrijker maken. Het is immers momenteel mogelijk
om nagenoeg perfecte kopieën of scans van pasfoto’s te maken die het technisch
mogelijk maken om de digitaal opgeslagen gevoelige persoonsgegevens te koppelen
aan gezichtsherkennende camera systemen en op afstand uitleesbare
identiteitsdocumenten.
·
Sofi-nummers
mogen niet op grond van de WID worden vastgelegd. Ook hier past een opmerking
dat het vastleggen van wat momenteel het sociaal-fiscale nummer is dezelfde
cijfercombinatie vormt waarvan het kabinet voornemens is daar een veel breder
algemeen persoonsnummer, het Burger Service Nummer (BSN), van te maken. Zodra
het BSN wordt ingevoerd, volgens de algemene voorwaarden zoals die in het
wetsontwerp bij de Eerste Kamer zijn voorgelegd, promoveert het sofi-nummer
eveneens tot ‘bijzonder gevoelig persoonsgegeven’ omdat het BSN dan namelijk
alle persoonlijke informatie uit alle domeinen/sectoren van het
maatschappelijke leven bevatten, waaronder bijvoorbeeld de in paragraaf.2 art.
16 genoemde gegevens betreffende iemands gezondheid.
·
Het
maken van nagenoeg perfecte kopieën of scans van officiële identiteitsbewijzen
evenals het in voorraad hebben van voorgenoemde is in strijd met de Paspoortwet.
art 61
·
Banken
die persoonlijke gegevens vast te leggen zonder vooraf toestemming te vragen
aan de betrokkenen overtreden art.8
·
Persoonsgegevens
die bedoeld zijn om de juiste identiteit van iemand vast te stellen mogen
niet langer bewaard worden, in een vorm die identificatie mogelijk maakt,
dan voor het doel waarvoor ze verzameld werden. Vastleggen van kopie of scan
van het identiteitsbewijs is niet nodig om te kunnen vastleggen dat aan de identificatieplicht
is voldaan maar wel te gebruiken om latere identificatie mogelijk te maken en
dus strijdig met art 10.
·
Gezien
het feit dat bankgegevens van iedereen die de VS in of uit reist worden
vastgelegd en verwerkt in een zgn. risicoprofiel, en zelfs bankgegevens van
mensen die niet naar de VS reizen werden doorgespeeld naar de VS, constateren
wij dat waar banken identiteitsbewijzen integraal digitaal vastleggen in strijd
handelen met art 76. Dit artikel verbiedt n.l. opslag van persoonsgegevens
waarvan de verwerking wordt onderworpen of bestemd is om na doorgifte te worden
verwerkt aan landen waar geen passend beschermingsniveau is gewaarborgd.
·
Het
College Bescherming Persoonsgegevens acht desalniettemin sinds augustus 2006
dat het inscannen van identiteitsbewijzen door de banken in het kader van de
her-identificatieactie van de banken wčl geoorloofd zou zijn.
·
Het
CBP legt daarbij zelfs uit dat het ‘gebruik kopie en scan door banken voor WID
mag ’, omdat dit in ‘het belang van de banken’ is. Dit is in tegenspraak met
art 8- f waar de Wet BP bepaald dat de fundamentele rechten en vrijheden
van betrokkenen, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke
levenssfeer, dient te prevaleren boven het belang van degene aan wie de
gegevens worden verstrekt.
·
Dat
het College, zonder enige onderbouwing stelt dat de aard van de vastgelegde
gegevens het belang van betrokkenen niet zou schaden, geldt absoluut
niet waar het vastlegging van pasfoto’s betreft en deels niet in geval van
vastleggen van sofi-nummers.
·
Veel
mensen verzetten zich niet voor niks tegen de opslag van deze gegevens omdat ze
het wčl als een inbreuk op hun persoonlijke vrijheid beschouwen.
·
Dat
de banken de verwerking van de gegevens met voldoende waarborgen zou omgeven
zodat belangen van betrokkenen niet geschaad zouden worden is onzin. Banken,
die al maanden miljoenen klanten onder valse voorwendselen en onder bedreiging
pressen, om aan hun onrechtmatige eisen te voldoen, verdienen dit vertrouwen
niet.
·
De
onenigheid tussen de banken en een deel van hun klanten is hiermee geschetst.
De onverkwikkelijke rol van het College Bescherming Persoonsgegevens in
deze kwestie nader toegelicht:
Op 31 oktober 2005 had het CBP, een kritische burger die
hier vragen over had gesteld, schriftelijk laten weten dat het digitaal opslaan
van pasfoto’s op grond van de wet niet geoorloofd was: “De opslag van
pasfoto’s moet voldoen aan de eisen die de Wet Bescherming Persoonsgegevens
stelt. Pasfoto’s die voor een bepaald doel zijn verzameld, mogen in beginsel
niet worden gebruikt voor andere doeleinden”. Indien (digitale) pasfoto’s
worden verzameld voor de afgifte van identiteitsdocumenten mogen zij dus alleen
gebruikt worden voor dat doel. Pasfoto’s mogen slechts worden opgeslagen
wanneer dit voor identificatie onvermijdelijk is.
Dit oorspronkelijke
standpunt van het CBP met de uitleg dat de WBP het vastleggen van pasfoto’s
om voor later identificatie te gebruiken expliciet verbiedt, heeft het Meldpunt
Misbruik ID-plicht maandenlang aan allen die om advies vroegen als leidraad doorgegeven.
Tot onze verbazing bleek op 10 augustus
2006 het CBP een gewijzigd standpunt gepubliceerd te hebben op hun website.
Wel mopperde het CBP dat de voorlichting van de banken over
de WID verplichting nog steeds niet voldoende was verduidelijkt aan de klanten,
maar daar werd niet de conclusie uit getrokken dat de banken hun klanten dus al
anderhalf jaar op oneigenlijke gronden trachten over te halen om hun
identiteitspapieren ter beschikking te stellen voor de bankadministratie. Het
verzamelen van niet terzake doende persoonsgegevens werd niet veroordeeld en
het zou volgens het CBP nu ineens zelfs geoorloofd zijn om middels scans een
nagenoeg getrouwe kopie van de identiteitsbewijzen in centrale digitale
bankbestanden op te slaan.
Op 29-9-2006
vroeg het meldpunt Misbruik ID-plicht om opheldering hierover, in de
veronderstelling dat er sprake van een vergissing was. Dat bleek echter niet
het geval te zijn. Waarom het College van standpunt veranderde terwijl de Wet
BP niet veranderd was, is nog steeds niet opgehelderd. Het blijft
onbegrijpelijk dat het CBP zoveel mensen expliciet om steun tegen de aantasting
van hun privacy vroegen, in de kou liet staan.
Men kan zich afvragen of de standpuntbepaling te maken heeft
met de grote machtsfactor die de banken en het ministerie in ons land
uitoefenen. De banken zouden immers beslist niet blij geweest zijn als ze op
gezag van het CBP alle ingescande gegevens zouden moeten verwijderen. En het
CBP heeft natuurlijk geen behoefte om het ministerie van Financiën tegen zich
in het harnas te jagen omdat de organisatie alleen al uit financieel oogpunt
niet genoeg middelen heeft om de alsmaar uitdijende taak naar behoren te kunnen
uitoefenen. Maar daar staat tegenover dat het CBP formeel een onafhankelijk
instituut is dat zichzelf in diskrediet brengt wanneer men de bescherming van
persoonsgegevens niet op de eerste plaats blijft stellen.
Het Meldpunt Misbruik ID-plicht heeft vanaf augustus 2006
krachtig tegen het ingenomen standpunt geprotesteerd, uitleg gevraagd waarom
het CBP van standpunt veranderd was, herziening van dit standpunt aangevraagd,
en klachten hierover ingediend bij het CBP zelf en bij de Nationale Ombudsman.
Brieven aan het CPB 29-9-2006,
3-11-2006,
5-1-07,
31-1-07
Antwoorden CPB 28-12- 2006,
persbericht
26 januari 2007, uitslag herzieningverzoek
26-7-2007
De zaak speelt nog steeds waarbij cruciaal lijkt dat het CBP
het belang van de banken boven de privacy van mensen die hun vrijheid willen
bewaken stelt.
Het CBP wenst zich enerzijds niet in te laten met de kwestie
of het vastleggen van identiteitsbewijzen op zich wel strookt met de wetgeving
en zegt enkel de praktische uitvoering aan de artikelen van de WBP te toetsen,
maar zet in januari 2007 op hun website wel een persbericht dat het inscannen
geoorloofd zou zijn ‘gezien het belang van de banken’. Het onderzoek van het
CBP naar het inscannen van identiteitsbewijzen van miljoenen klanten die allang
bij de bank bekend zijn en waarvan velen hadden laten weten de praktijk van de
banken onaanvaardbaar te vinden, behelsde uitsluitend het navragen bij
ministerie, DNB en VNG hoe men te werk ging in plaats van een afweging te maken
of al die mensen die bij het CBP aanklopten in het gelijk gesteld moeten worden
dat het vastleggen van niet ter zake doende gevoelige persoonsgegevens in
strijd is met de WBP. Onder het motto: beter ten halve gekeerd dan ten hele
gedwaald kan iedereen die het niet eens is met dit standpunt kan nog steeds een
beroep doen op het CBP met een ‘herzieningsverzoek’ aangaande hun standpunt in
deze.
Het gebrek aan middelen van het CBP om adequaat te reageren
op alle particulieren, die de weg naar het CBP vonden en vragen stelden over
hun privacyschending, is samen met de duizelingwekkende ontwikkelingen qua
inperking van de persoonlijkevrijheid, ongetwijfeld debet geweest aan het feit
dat het CBP pas 5 maanden later met een toelichting over hun veranderde
standpunt naar buiten kwam. Maar het blijft onverkwikkelijk dat zomer 2006
niemand van het CBP wist, en in eigen administratie kon achterhalen, dat er in
2005 al een standpunt was ingenomen. Wij achten het schandalig dat het CBP eind
december 2006 als enige reactie, aan alle mensen die geklaagd hadden dat ze de
handelswijze van de banken onacceptabel vonden, een brief stuurde dat het CBP
een brief had geschreven aan de Vereniging van Nederlandse Banken en dat die
tot 22 januari.2007 de tijd kregen om inlichtingen te geven over’ de uitvoering
van de identificatieplicht bij banken in het kader van de WID’.
26 januari 2007 kwam het CBP eindelijk met de uitslag waarom
het vastleggen van een scan wel zou mogen en lezen we tot onze verbijstering
dat de grondslag van dit standpunt niet de Wet BP is, maar het belang van de
banken (nog even daar gelaten dat
nog steeds over toepassing van de WID geschreven wordt die dus helemaal geen
vastlegging van een
kopie vereist).
De omschrijving van de AWR dat ‘vastlegging door middel van afschrift
(kopie)’ verlangd wordt, gebruiken de banken als alibi om ook een scan gelijk
te stellen aan een afschrift. Men doet voorkomen alsof enkel de kopieermethoden
veranderd zijn maar dat een scan juridische hetzelfde zou blijven.
Wij constateren, dat het maken van een kleurenkopie (laat
staan het direct inscannen van ID-bewijzen) zowel voor de feitelijke
identificatie, als voor de vastlegging van het bewijs, dat aan de
identificatieverplichting is voldaan, niet noodzakelijk is, dus niet
onvermijdelijk en al helemaal niet redelijk.
Nieuwe mogelijkheden om beelden te kopiëren, automatisch
dezelfde juridische status te geven als de vroegere methoden, levert grote
gevaren voor de privacy op. Gevaren die alles te maken hebben met digitale
communicatietechnieken, waarbij beelden waar ook ter wereld beschikbaar kunnen
worden gesteld, en met de invoering van biometrie als identificatiemethode
(c.q. authentificatie- of verificatiemethode wat in de praktijk weinig verschil
zal maken).
Door de technische ontwikkelingen zou het College
Bescherming Persoonsgegevens juist bijzonder alert moeten zijn op het
ongeoorloofd kopiëren en gebruik maken van extra gevoelige identificerende
gegevens. De bewering als zou een scan gelijk zijn aan een afschrift, is
juridisch niet onderbouwd daar er geen regelgeving of jurisprudentie bestaat
waaruit kan worden afgeleid dat een nagenoeg perfecte digitale kopie verkregen
door inscannen gelijk te stellen is aan een afschrift of papieren zwart-wit
kopie.
Het is belangrijk dat nieuwe gevaren, die kunnen ontstaan
door het inscannen en transporteren van gevoelige persoonsgegevens, tijdig
worden gesignaleerd. Wat "onschuldig" lijkt te beginnen neemt in een
later stadium buitenproportionele vormen aan, waardoor in de toekomst
onbeheersbare situaties ontstaan. Dat het College BP in juli 2007 nog als
argument, om het standpunt na heroverweging niet te herzien, aanvoert dat er
(nog) geen voorbeelden zijn, dat banken misbruik van gegevens hebben gemaakt,
is een domme redenering. En inmiddels ook
achterhaald, gezien de uitspraken van de voorzitter van het CBP, dhr Kohnstamm,
8-8-
Misbruik moet je zien te voorkómen, en aangezien men
gegevens waar men niet over beschikt niet kán misbruiken is terughoudendheid in
het vastleggen van data de best mogelijke vorm van preventie.
Omdat het Meldpunt Misbruik ID-plicht het onverteerbaar vind
dat het CBP een standpunt inneemt wat ons inziens niet in overeenstemming is
met de Wet Bescherming Persoonsgegevens adviseren we mensen zich niet op het
standpunt van het College BP te beroepen maar op de Wet BP .
We hopen dat het onderzoek van de Nationale Ombudsman, naar het
‘onderzoek’ waarop de standpuntwijziging van het CBP gebaseerd is, er toe zal
leiden dat het CBP alsnog haar huidige opinie zal herzien.
Het zou prachtig zijn als dit tevens een algemene
veroordeling zou inhouden van het inscannen en digitaal opslaan van
identiteitsbewijzen en pasfoto’s door derden. Maar vooralsnog wil het CBP daar
geen algemeen geldende uitspraken over doen.
Mensen die volhielden dat ze niet accepteerden dat op grond van de WID meer
gegevens dan noodzakelijk worden vastgelegd, en mensen die volhielden dat ze in
hun recht staan om te eisen dat hun gegevens niet worden ingescand, kregen eindeloze
briefwisselingen gelijk. Zoals van Raad van Bestuur ABN-AMRO van DNB.
Mensen die niet wisten dat hun persoonsgegevens waren
ingescand kregen gedaan dat die gegevens met terugwerkende kracht verwijderd
werden uit het databestand van de bank.
Althans dat moet men aannemen op gezag van een schriftelijke
bevestiging van de bank zelf, aangezien het niet mogelijk bleek dit te
controleren. DNB, AFM en CBP gaven op verzoek hiertoe te kennen, dit niet te
willen verifiëren.
Hoewel zeker anderhalf miljoen Nederlanders geen gevolg
hebben gegeven aan de oproep van hun bank om zich te komen laten identificeren
proberen de overheid, de banken, DNB en het CBP te verdoezelen dat de banken juridisch
bakzeil haalden door het als uitzonderingen af te doen.
AD 24-3-2007:
Al met al wordt steeds duidelijker wat de banken voor
voordeel hebben bij het digitaliseren van hun klantbestanden. Banken willen
alleen maar zoveel mogelijk geld verdienen. Dus moet er, gezien de miljoenen,
die gemoeid zijn met aanschaf van scanapparatuur en tijdelijke inzet van
WID-herstelactie personeel, vanuit worden gegaan, dat de kosten voor de baten uitgaan,
en er financieel veel te winnen valt.
Een bank is niet gebaat bij vriendelijke baliemedewerkers
die klanten helpen, maar met minder personeelskosten, hoe minder personeel men
nodig heeft hoe beter het is voor de winstcijfers. Voor het identificeren van
nieuwe klanten en voor het later opvragen en uitwisselen van persoonsgegevens
is minder, en minder gekwalificeerd, personeel nodig als alles digitaal gaat in
plaats dat er met formulieren en papieren kopieën wordt gewerkt.
Het schept tevens de mogelijkheid dat het werk door
arbeidskrachten aan de andere kant van de wereld wordt gedaan. Dat ingescande
identiteitsbewijzen eenvoudig te koppelen zijn aan databestanden van de overheid
en van andere organisaties levert een schat aan mogelijkheden op. Technisch is
het uitwisselen van gegevens vaak enkel nog een kwestie van één druk op de
knop; een elektronisch bericht versturen met ‘opgepiepte’ databestanden, is
minder werk dan naar een archiefkast lopen. Hoe lucratief is het, om door de
overheid automatisch op de hoogte te worden gehouden, wanneer mensen van adres
veranderen. En hoe interessant is het, om bij het verstrekken van leningen of
aangaan van zakelijke diensten, even iemands doopceel te lichten bij justitie,
sociale zaken, schuldhulpverleningsinstanties, verzekeringsmaatschappijen,
collega banken, de onderwijsinstelling waar iemand staat ingeschreven, diens
werkgever of instanties in de medische wereld?
Voorstanders van de
digitalisering zullen tegenwerpen, dat dat niet allemaal zomaar mag, dat er wetgeving
is, die de uitwisseling van gegevens regelt met ‘schotten’ en
toegangsprotocollen en -codes, maar iedere deskundige op gebied van
computerbeveiliging weet, dat dat een wassen neus is.
En wat te denken van de mogelijkheden om middels de
pasfotokoppeling door camera’s te laten controleren of de gezichten van
iedereen die de bank binnenkomt of passeert in de bewakingssystemen van het
winkelcentrum voorkomen, of qua uiterlijk tot de minder draagkrachtige- minder
gewenste bankbezoekers lijkt te horen, of qua Marokkaans of oost Europees
uiterlijk extra in de gaten gehouden wordt, of als chique vaste klant
daarentegen met voorrang behandeld. De mogelijkheden om mensen of groepen op
een bepaald uiterlijk met voorgeprogrammeerde beveiligingsmaatregelen te
bejegenen dringen zich op. Ook de
mogelijkheden voor commerciële toepassing tekenen zich uit. Scenario’s als’ je
komt de bank binnen, wordt herkend het personeel ziet onmiddellijk wat voor
rekeningen je bij hen hebt en kan je met je naam aanspreken en een persoonlijk
toegesneden aanbieding doen, of vragen waarom je geen adreswijziging hebt
doorgegeven terwijl je volgens hun gegevens eigenaar-bewoner bent van een
koopwoning enz. Het zijn allang geen toekomstvisioenen meer, de technische
mogelijkheden zijn er en worden steeds geavanceerder.
Dit soort ontwikkelingen gaat in razendsnel tempo verder,
met name vanwege de toepassing van de op afstand uitleesbare Radio Frequentie
Chip (RFID) Middels deze chips is de
koppeling van gezichtherkenning met identiteitsdocumenten (inmiddels ook
voorzien van uitleesbare chips) mogelijk, maar ook met bankpassen, klantkaarten
gechipte huisdieren, met een dagelijks grotere hoeveelheid goederen van
kleding, boeken, voedsel en op termijn ook alle bankbiljetten. Uitwisseling van
persoonsgegevens met alle mogelijke objecten maakt het mogelijk om ook toegang
te krijgen tot de communicatiemiddelen waar iemand zich van bediend- mobiele
telefoon, schootcomputer met verbinding naar internet e.d.
Opslag van pasfoto’s en de beschikking van het Burger Service Nummer
zijn de sleutels tot het verkrijgen van veel meer gegevens van personen -
zonder dat die enige notie hebben wie er wanneer en met welk doel over hun
gegevens beschikt.
De Raad van State waarschuwde in
2005 al voor de gevolgen die ruime toepassing van het BSN zou hebben voor de
privacy: "Het BSN is in principe openbaar: het
zal worden vermeld op identiteitsbewijzen; bedrijven kunnen het BSN langs die
weg dan ook registreren en gebruiken. [...] Het zal in de praktijk niet tegen
te houden zijn dat het BSN van diverse personen ruim bekend wordt, en soms
zelfs op het internet opduikt; door het combineren van de gegevens die dat
oplevert (data-mining) kan dan een indringend beeld van zo'n persoon worden
opgebouwd."
Voor de overheid is profijtelijk dat banken over de digitale
opslag van persoonsgegevens beschikken. Minister
Zalm noemde het 17 november 2005 zelfs ‘de hoofdprijs’.
De regering onder de kabinetten Balkenende is voorstander van een elektronische
overheid. Men gelooft heilig in
het heil van de technologische mogelijkheden. Bezwaren dat computergebruik
eigen fouten oproept, fouten die zich veel grootschaliger vermenigvuldigen,
ontraceerbaar en onuitwisbaar zijn, wil men niets van weten. Net zo min als van
de gevaren van fraude en identiteitsdiefstal.
De regering wil van iedere burger zoveel mogelijk gegevens
vastleggen. Internationaal
onderzoek toont aan dat Nederland uiterst slecht scoort op het gebied van
de bescherming van de persoonlijke vrijheid van de burgers en steeds verder afglijdt
naar een totalitair staatsbestel. De overheid heeft de banken hierin een grote
rol toebedeeld. Teksten van het ministerie van Financiën met de titel ‘Wetsvoorstel
tot wijziging van de WID,
ten behoeve van het sluitend maken van het identificatiesysteem’, laten wat
dat betreft weinig aan de verbeelding over.
Ook de circulaire van DNB van 15 juni 2006 onthult de ware
reden van de identificatieactie met de aanduiding dat DNB in samenwerking met
de VNB beogen om ‘ tot een
WID- conformiteit in het klantbestand van de banken te komen’.
Door banken de beschikking te geven over
alle persoonsgegevens uit de gemeentelijke basisadministratie worden zij een
verlengstuk van de politie en Justitie.
De banken zijn net als iedere andere instelling of bedrijf
wat gegevens over mensen vastlegt, sinds de invoering van de Wet Vorderen
Gegevens in 2005, verplicht om - ook van mensen die niet van een strafbaar feit
worden verdacht - desgevraagd alle gegevens, zonder tussenkomst van de officier
van Justitie of een rechterlijk bevel, aan politie of justitiediensten te
leveren.
Om commerciële organisaties als banken steeds meer gegevens
te laten vastleggen waar de opsporingsdiensten gebruik van kunnen maken is
vanuit bezuinigingsoogpunt een bijzonder lucratieve wisseltruc. Niet voor niets
staat de minister van Financiën, die kans zag staatszaken zo te regelen dat het
overheidsbeleid door anderen werd uitgevoerd, zonder dat de overheid er een
cent voor hoeft uit te geven, als handig en zuinig te boek. En was hij, omdat het mes aan twee kanten
snijdt, na zijn aftreden uit publieke functie, uiterst welkom als chef-econoom
bij de DSB bank.

Er spelen nog meer factoren een rol, zoals het feit dat er
met digitalisering, verkoop van computersystemen, bewakingscamera’s onderhoud
van al die systemen en apparaten gigantisch veel geld verdiend wordt door
bedrijven die onevenredig veel invloed hebben op het overheidbeleid en de
bedrijfsvoering binnen instanties. De onbekendheid van de nieuwe mogelijkheden
zijn er debet aan, dat de voorlichting over de voordelen van de systemen
voornamelijk komen van de bedrijven, die die systemen ontwikkelen en leveren.

Zo kreeg IBM
bijvoorbeeld zowel de raadgevende als de uitvoerende taak betreffende het
digitaliseren van de belastingaangifte van werknemers. Een project wat nauw
verweven is met de AWR en controlemogelijkheden via de bankadministraties.
Een automatiseringsproject dat de op een puinhoop
blijkt uitgelopen waarbij alle gegevens zoekgeraakt waren. Waarvan niet IBN
maar de overheid en de betrokken werknemers voor de meer kosten opdraaien zoals
in april 2007 bleek.
Wat ook een rol bleek
te spelen was de reikwijdte van de wetgeving in de Verenigde Staten.
In januari 2007 werd, door een furieuze voorzitter van het
CBP, openbaar gemaakt dat de Nederlandse banken de nationale wetgeving aan hun
laars lapten. Zonder de eigen regering, de
betrokkenen en zonder de toezichthouders in kennis te stellen, verstrekten de
banken hen op de Amerikaanse autoriteiten rechtstreeks transactiegegevens van
hun klanten.
Het kwam er op neer dat de banken in de Europese Gemeenschap
niet aan Nederlandse wetgeving voldeden maar onderworpen bleken te zijn aan de
Amerikaanse Patriot Act.
Het CBP toonde zich furieus, maar de enige resultaten waren:
·
Dat
Bos (inmiddels de minister van Financiën) de Nederlandse ambassadeur in de VS
instrueerde om aan de regering van de VS het verzoek door te geven of
Amerikaanse financieel toezichthouders zich voortaan tot de officiële
instanties willen wenden als ze gegevens willen hebben in plaats van rechtstreeks
de banken te sommeren die gegevens te leveren.
·
Dat
de boetes
voor banken die de wet overtreden omhoog gaan (al zijn de bedragen geen
vergelijk met de sancties die op het weigeren aan aanmaningen door VS staan)en
·
Dat
de VNG op 17-4-2007 eenmalig een advertentie in de landelijke dagbladen
plaatste waarin ze- op versluierde wijze- bekendmaakten dat ze zich in bepaalde
situaties gedwongen zagen om vertrouwelijke gegevens van hun klanten aan
anderen te verstrekken (en glashard stellen dat 'de regels die van toepassing
zijn op dit gegevens verkeer zijn terug te vinden in de door het CBP
goedgekeurde Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens' daarmee suggererend dat
de banken volgens goedkeuring van CBP zouden werken).

De uitwisseling van transactiegegevens die in de VS die
gebruikt worden om van mensen een ‘profieldossier’ aan te leggen met een
‘terrorisme score’ gaat ongestoord door.
Op de vraag die het Meldpunt Misbruik Identificatieplicht
voorlegde aan de minister van Financiën en aan de Europese Commissie of zij
wisten of wilden onderzoeken of banken met de gulle doorgifte van
vertrouwelijke informatie van hun klanten wellicht ook de ingescande
identiteitsbewijzen doorstuurden, kwam nooit antwoord.
Als banken
worden opgekocht door banken in de VS, in Groot-Brittannië, in China of in
IJsland worden de persoonsgegevens uit de bankadministratie mee verkocht,
niemand kan meer zicht houden op waar zijn gegevens staan geregistreerd wie er
toegang tot heeft en wat ermee gebeurt.
Wat
kunt u doen?
De bescherming van de privacy van de
mensen die klant zijn bij een van de grote banken in ons land, is noch voor de
banken, noch voor de overheid of het CBP belangrijk genoeg om mensen te steunen
die het inscannen en digitaal opslaan van hun identiteitsbewijzen onacceptabel
vinden. U zult dus zelf voor uw rechten moeten opkomen.
Het enige verweer dat mensen hebben is óf via juridische weg
bij het bestuur van de bank afdwingen dat hun identiteitdocument niet mag
worden ingescand en men gewoon via de ouderwetse manier mag voldoen aan de
identiteitseisen van de wetgeving, óf naar een andere bank overstappen.(
Triodos en ASN bank trekken veel nieuwe klanten op deze manier)
Het is een tijdrovende bezigheid voor iemand die probeert zijn
recht op privacy te beschermen. De tegenstanders zijn machtig. Men moet het
opnemen tegen banken die niet willen afstappen van de ingezette digitalisering
van hun klantbestand, en tegen de regering die in januari 2005 bij monde van
minister Zalm liet weten dat ‘het weliswaar allemaal onduidelijk geregeld was’,
maar dat hij de praktijk achteraf dacht te kunnen regelen via een Europese
witwaswet.
Toch denken de mensen van het Meldpunt Misbruik
Identificatieplicht dat het heel belangrijk is dat mensen blijven opkomen voor
de bescherming van hun persoonsgegevens. Wie toelaat dat zijn persoonsgegevens
overal geregistreerd en gecontroleerd worden offert zijn persoonlijke vrijheid
op. Vrijheden die zomaar niet terug te veroveren zijn.
Zeker anderhalf miljoen mensen pleegden lijdzaam verzet door
geen gehoor aan de oproep van de bank te geven. Wie stug volhield om geen
sjoege te geven op alle oproepen hoort daar inmiddels niks meer van en er is
van niemand een rekening geblokkeerd.
Wie wel zo dom of braaf was om zich opnieuw te laten
identificeren doet er goed aan om na te gaan of zijn identiteitsbewijs is
ingescand en digitaal opgeslagen in de administratie van de bank. Wie zonder
voorafgaand expliciet toestemming heeft verleend om zijn of haar gegevens te
laten inscannen is wettelijk gerechtigd om te eisen dat die gegevens uit de digitale
bestanden worden verwijderd omdat ze er onrechtmatig en onder valse
voorwendselen in zijn opgenomen.
Het loont om goed geďnformeerd te zijn zo blijkt uit
meldingen zoals die van G.S. lees…
En het leidt tot succes als men de energie opbrengt om zich
tegen het onrechtmatig handelen van de bank te verzetten, zo blijkt uit de toezegging
van ABN-AMRO om reeds ingescande gegevens te verwijderen. lees…
Voorbeeldbrieven om scan van ID-bewijs te weigeren of laten
verwijderen. hier
Op verzoek helpen mensen van het Meldpunt misbruik ID-plicht
bij het opstellen van brieven.
-Wet Identificatie Dienstverlening (WID)
-Wet Bescherming Persoonsgegevens
-Melding Ongebruikelijke Transacties MOT
-Algemene
Wet Rijksbelastingen:
-Paspoortwet
-Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM)
-Wet bevoegdheid Vorderen Gegevens: 16-7-2005
-Patriot Act
College Bescherming Persoonsgegevens
Postbus 93374, 2509 AJ Den Haag
Tel: 070-8888500
Fax: 070-8888501
E-mail het CBP
Autoriteit Financiële Markten (AFM)
Gedragstoezichthouder op de Nederlandse Financiële markten,
die er op let, dat alle partijen zich aan de relevante wet- en regelgeving
houden.
Postbus 11723
1001 GS AMSTERDAM
Tel: 020-5535200
Nederlandse Vereniging
van Banken
Singel 236, 1016 AB Amsterdam
Postbus 3543, 1001 AH
Amsterdam
Tel: 020-5502888
Fax: 020-6239748
De Nederlandsche Bank (DNB)
Postbus 98
1000 AB Amsterdam
Tel: 020-5249111
Telex: 11355 DNBAM NL
Fax: 020-5242500
de
grootste ondernemingsorganisatie van Nederland
de Malietoren
Postbus 93002, 2509 AA, Den Haag
Tel: 070-3490349
Consumentenbond
Postbus 1000. 2500 BA, Den Haag
Tel: 070-4454545
Directie Postbank
Antwoordnummer 230,1000 XA , Amsterdam
Directie ABN-AMRO
Postbus 6669,1000 EG Amsterdam
Directie SNS Bank NV
Croeselaan 1,3521 BJ , Utrecht
Directie Rabobank
Postbus 17100,3500 HG,
Utrecht